Onze Lieve Vrouw ter Nood

http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Stuyt

http://www.meertens.knaw.nl/bedevaart/bol/plaats/195

Kapel Heiloo

 

         

 

 

 

 

 

 

 

    

 Gastmaal
Bij O.L.Vrouw ter Nood……
Het hoofdthema op de wand boven het priesterkoor geeft een voorstelling van het hemels gastmaal weer. Het is als het ware een verwijzing naar het slot van de Parabel van de Bruiloftsgasten, die de evangelisten Mattheus (22,1-14) en Lukas (14, 16-24) ons vertellen in het evangelie.
Maria, die zichzelf de Dienstmaagd des Heren noemt, treedt in het geschilderde tafereel op als de Moeder van de Koningszoon. Zij verwelkomt de gasten en stelt ze voor aan haar Zoon.
Engelen, in dalmatieken gekleed voeren de zaligen door de poort die toegang geeft tot de bloeiende paradijstuinen, na eerst het reinigend water over hun handen uitgegoten te hebben. De gasten worden bekleed met het bruiloftskleed en gekroond met paradijselijke bloemen. Engelen voeren de verlosten verder over de gouden trappen naar de Moeder van de Koning, Die hen leidt in de armen van Haar Zoon.
God de Vader vormt de centrale figuur achter de hemeltafel en heet zijn gasten welkom in een wijds gebaar van liefde. Boven de Vader zweeft om het licht de goede Geest van God.
Op de achtergrond schildert de kunstenaar de vele torens van het Hemelse Jeruzalem.
Het beeld van Onze Lieve Vrouw ter Nood
Het oorspronkelijke beeld schijnt in de troebele dagen van de Reformatie verloren te zijn geraakt. Het Mariabeeld dat nu in de Genadekapel boven het altaar prijkt, werd vervaardigd naar een oude bedevaartspenning uit de 17e eeuw, die Mgr. J.J. Graaf als bij toeval had ontdekt in het Bisschoppelijk Museum te Haarlem. De medaille toont Maria met het Jezuskind op haar rechterarm. Naast de voeten van Maria rijzen kleine takjes uit de grond, welke te schijnen wijzen op het bos, de grote openluchtkapel, waar Maria nog steeds vereerd werd na de verwoesting van Haar Heiligdom.
Naar deze medaille vervaardigde de Utrechtse beeldhouwer Han Mengelberg van witte zandsteen een Mariabeeld. De voorstelling, uit het begin van de 20e eeuw, vertoont 15e eeuwse trekken en herinnert aan de Utrechts-Keulse School. Het Goddelijk Kind, in profiel zitten op de rechterarm van Maria, slaat Zijn linkerhandje om de hals van Zijn Moeder, die Het liefdevol een appel aanbiedt, als symbool van de overwonnen zonde. Het beeld rust op een leisteen uit de grot van Lourdes, die Bernadette “mijn heme”noemde
Het beeld werd geschonken door de Amsterdamse bedevaart en werd op 2 september 1908 op de plaats van de verwoeste kapel geplaatst. De beschildering ervan vond pas in 1923 plaats, in het atelier van de maker.
Legende van Onze Lieve vrouw ter Nood
(Drs. Johan Bertrand)
Och, die goede Nelis kon het ook niet helpen, dat hij op zijn achtendertigste jaar nog niet verder kon tellen dan twaalf. Hij was van kleins af aan koeienhoeder geweest en verdiende daarbij wat zondagsgeld met het breien van sokken voor de boerin van de grote Runxputter hoeve.
Maar bij de Lieve Heer stond hij danig in aanzien. Toen hij in het voorjaar kievitseieren ging zoeken op het land van boer Siemen, trapte hij met zijn klomp op een kantig blok onder het zand. Hij woelde deze met zijn grote scheppen van handen los en greep ernaar om hem weg te gooien. Maar bukkend zag hij dat het een houten beeldje was van Maria met het Jezuskind.
Zijn oude moeder veegde het met haar neusdoek schoon van zand en stof en borg het in een oude koffer om het de volgende dag te dragen naar meneer pastoor. Maar toen goede Nelis zich ’s morgens over het land van boer Siemen naar zijn koeien repte, vond hij bij een kuiltje met drie kievitseieren weer het houten beeldje van de Moedermaagd.
Een rijk koopman uit Alkmaar, Johannes Mors genaamd, die in die wondere dagen met een schip vol ijzer op zee voer, heeft dit vreemde gebeuren bevestigd, want toen hij met zijn boot dagen lang dobberde zonder wind, zodat hij met zijn matrozen de hongerdood dreigde te sterven, droomde hij van het Runxputter beeldje, zonder dat hij er ooit van had gehoord. Een vrouwenstem fluisterde: “De wind zal waaien als je mij vereren gaat!”
Hij had niet mooier kunnen dromen want zijn schip voer mee met de zuidenwind. En toen hij na veel zoeken het gehucht Runxputte had gevonden, had hij handenvol gouddukaten meegebracht voor het bouwen van een stenen kapel, waarover reeds in 1409 een rector werd aangesteld.
Van stond af aan stroomde het volk toe van heinde en verre en zocht troost bij de Vrouwe, die alle noden van de mensen kent. En er werden op dit mooie stukje land meer weesgegroeten gebeden dan er tulpen zouden bloeien op de bollenvelden rondom.
Het moet voorwaar voor de omwonenden en de pelgrims een zware beproeving zijn geweest, toen harde krijgslieden in 1573 bij het beleg van Alkmaar de kapel tot een troosteloze ruïne maakten.
Toch beleven de bedevaartgangers toestromen, ondanks de tegenwerking van de machtige magistraten, die zelfs de ruïne niet met rust konden laten en haar puin lieten wegkruien en verstrooien over de velden.
Pas rond de dertiger jaren van de vorige eeuw bouwde een bekwaam bouwheer een nieuwe kapel, schoner nog dan de vorige.
Wie daar in stilte komt knielen, proeft nog immer Maria’s genade en weelderige zegen; die hoort nog altijd Haar stem: “De wind – de zegen van mijn lieve Zoon – zal waaien, wanneer gij Mij vereren gaat!”Enkele data uit de geschiedenis van O.L.Vrouw ter Nood
1409 Het Utrechtse Domkapittel spreekt in een rekening van een vicaris (rector)van de kapel.
1440 In een leenbrief is er sprake van “Onze Lieve Vrouwe Caepelle in de banne van Heiligeloo”.
1573 Bij het beleg van Alkmaar wordt de kapel verwoest.
1630 Gerrit de Jongh, lid van het Lucasgilde in Alkmaar, schildert een adellijke familie op bedevaart. Op de achtergrond de ruïne van de Kapel. Op de steen rechtsonder staat: “De Capel van Ons Lieve Vrouwe te Runxputte te Heyloe in Oesdom” .
1637 De ruïne wordt op last van de Staten van Holland omver gehaald.
1638 Jacobus de la Torre, apostolisch vicaris, schrijft, dat de bedevaarten blijven toestromen.
1647 Plakkaten worden uitgevaardigd tegen de processies en de plaatselijke herbergen.
1648 Vrede van Munster. De plakkaten worden op 26 september bekrachtigd.
1653 Pater Aegidius Meese s.j. schrijft: pelgrims komen bij stromen.
1656 Atlas Marianus, eerste versie van een Europese Maria-atlas, gepubliceerd door pater Wilhelm Gumppenberg.
O.L.Vrouw ter Nood wordt er aangeduid als O.L.Vrouw van Runxputte. Er is sprake van een wonderbaar beeld en de volhardende verering van de Katholieken.
1658 Pastoor Abeel, pastoor te Alkmaar, verongelukt, als hij midden in de zomer op bedevaart naar Oesdom gaat. Hij reed in een soort sjees. Toen hij gekomen was ter hoogte van Vrieswijk, een boerenhoeve, gelegen halverwege de Heilooër kerk en het Kapelland, brak plotseling de buikriem van het paard. De sjees sloeg achterover en pastoor Abeel smakte met zijn hoofd zo hevig tegen het straatoppervlak, dat hij een schedelbasisfractuur opliep en ter plaatse overleed.
1700 Gravure van Isabella Hertsens: ruïne met vaag gehouden Mariavoorstelling.
1704 Reiskaartje, gedrukt ten dienste van de Heilooër pelgrims, waarop duidelijk de Runxputte, de vijf herbergen en de Kruisberg zijn aangegeven.
1706 Getuigenis van een lid der Reformatie over “het diepe spoor der kruipers”.
1713 Veepest heerst in Noord- en Zuid-Holland. In de nacht van 8-9 december van hetzelfde jaar begon het water van de bron, de Runxputte, op wonderbaarlijke wijze te vloeien. Het water werd als geneesmiddel aan de zieke dieren gegeven.
1714 Wederom plakkaat uitgevaardigd tegen processies, kruisen, vanen, waskaarsen en wat dies meer zij. Adrianus Bijl, predikant te St. Pancras en Guilielmus Vermaten, predikant te Alkmaar, maken een geruchtmakend rapport op.
1723 Gerrit Schoenmaker, lid van de Reformatie, schrijft: “Maria, zich met het Kindeke Jezus op de arm zich zoude vertoond hebben, tussen de muurbrokken”.
1740 Gijsbert Boomkamp (Alkmaars historicus) schrijft over het kruipen en de daar geplaatste offerbus……
1750 Getuigenis van een lid der Reformatie dat deze plaats meer bezoek kreeg dan de Willibrordusput bij het Witte Kerkje van Heiloo. Armenbus geplaatst op “Capelle” voor de “algemene dorpsarmen”.
1751 Jan de Boer, organist van de “Papagaay” in Amsterdam, schrijft op 21 en 22 augustus een processie te hebben gezien van 300 deelnemers, met kruis, vaandel en lofgezangen.
1754 Jan de Boer beschrijft een bedevaart die gold als protestmars tegen de baljuw.
1796 Een reiziger verklaart: Vooral op zaterdag drukke bedevaarten. Een lid van de Reformatie getuigt van bedevaarten vooral op zaterdag voor Hartjesdag (3e maandag in augustus)
1807 Op 15 augustus vindt een openbare processie met vaandels plaats. In Limmen wordt een garnizoen gelegd ter voorkoming van bedevaarten. De aartspriester (deken) Ten Hulscher wordt gevraagd zijn invloed aan te wenden voor het stopzetten der bedevaarten.
1817 Bedevaarten uit Haarlem, Overveen, Akersloot en andere plaatsen. Zaterdag na Maria Tenhemelopneming grote processies met kruis, kaarsen en vlaggen. Het terrein komt in handen van Fontein Verschuir, oud-burgemeester van Alkmaar. Hij laat het terrein afzetten en bewaken door de politie.
1830 De kerkelijke overheid verbiedt het nog langer houden van geleide bedevaarten wegens de talrijke misbruiken.
1886 Missie gehouden in de parochiekerk te Heiloo. Missiepaters sporen de parochianen aan om de oude devotie in ere te herstellen.
1902 Pastoor Geenen van Heiloo koopt via Klaas Ruiter het terrein terug, waar voor 1573 de Kapel heeft gestaan.
1905 Op 20 maart wordt de Runxputte terug gevonden, onder aansporingen van Gerard van den Bosch, fabrikant in Alkmaar, die zeer geïnteresseerd is in deze bedevaartsplaats en enkele dagen later ook de fundamenten van de verwoeste Kapel.
12 juli: Gerard van den Bosch plaatst een kruis met een devotieprentje op de plaats van de verwoeste Kapel. Bij de bouw van de voorlopige Genadekapel werd het kruis recht voor de Kapel geplaatst.
16 juli: 1e officiële bedevaart vanuit Amsterdam. De oudste deelnemer, Kees Emke, meer dan 90 jaar oud, had de laatste bedevaart van 1830 nog meegemaakt. Schakel tussen oud en nieuw……
1909 Voorlopige Genadekapel komt gereed.
1912 Om de grote toeloop van pelgrims te kunnen opvangen, wordt er een grote kerktent opgezet, waarin ongeveer 1000 pelgrims een plaats kunnen vinden. Maar in het ene jaar van haar bestaan, woei het gevaarte maar liefst drie keer tegen de grond.
1913 In enkele maanden tijds wordt de grote noodkerk gebouwd voor de duur van 50 jaar, maar zij staat er nog steeds: de Grote Kapel.
1930 Bouw van de Genadekapel. Archtect: Jan Stuyt. Muurschilderingen: Han Bijvoet. Mozaïek onder het altaar: A. Molkenboer. Communiebank: N. Witteman. Ex Votokastjes: edelsmid Kolderweij. Kerkbanken: Gebr. Remmen. Op 9 juli zegent Mgr. Aengenent de Genadekapel in, een klein juweeltje.
anten van de Grote Kapel.
2005 * Mgr. Punt benoemt in oktober dr. M.A.L. Wagemaker tot Rector van het Heiligdom, dat nu is uitgebreid met het Julianaklooster.
* Het kunstwerk aan de binnenzijde van de ingang van de Kleine Kapel, gemaakt door mevr. drs. M. Schobbe, komt gereed in dit jubileumjaar van de 100-jarige herdenking van de heropleving van de devotie.
2006 De Zusters van het Mensgeworden Woord nemen op 12 augustus hun intrek in het voormalige Julianaklooster.