Rouwen
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.

Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.

De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen.
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken.
Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam.
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.
De dragers
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.


