Kapel Evenementen en Egmond

Geschiedenis
  • rss
  • Home
  • O.K.Kerk
  • Rouwen
  • G v.d Bosch
  • Geboorte
  • Kapel 1
  • Henk Stoop .
  • Zr.Humilia
  • Zr.Juliaantjes
  • De Montfortanen
  • Vrouwe van A’dam
  • De kruisweg
  • De Millersisters
  • P.M. de Waard s.m.m.
  • Kapel 2
  • Egmond aan Zee

Rouwen

 

Rouwen.
Door H. M Out- de Waard
Bron :
Erfenis onzer voorouders : H.L. Kok
Lief en Leed .De geschiedenis van het gezin : Jaqueline Zirkzee
 
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
 
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
 
 
Een sterfgeval bracht altijd grote opschudding teweeg bij onze voorvaderen.
Al was de stervende in geen enkel opzicht familie van hen, als hij of zij in de buurt woonde, werden zij er zonder meer ten nauwste bij betrokken.
Er stond zelfs een strenge straf of boete op indien men verstek liet gaan bij de hulp verlening van een dode in zijn omgeving.
 
Wanneer een zieke, hetzij thuis, hetzij in het ziekenhuis, op sterven lag, werden behalve de naaste verwanten, de buren en de leraar of “ziekentrooster”geroepen.
Hij was wijs en belezen en verstond de kunst om tijdens de laatste moeilijke uren prachtige en opbeurende woorden te spreken, die de stervende de nodige kracht gaven en de familie troostten.
Was het een lange doodsstrijd, dan verscheen deze man bij tussenpozen, sprak wat met de stervende, las hem voor uit de “Sieckentroost” of bad hardop voor zijn zieleheil.
Als hij er niet was, kwamen de huisgenoten in actie, want geen ogenblik liet men de stervende aan zijn lot over.
Men las voor uit de bijbel, had godsdienstige gesprekken en schreef zorgvuldig op wat de zieke nog te zeggen had.
Wanneer men enigzins het idee had dat de laatste ogenblikken waren aangebroken, las de priester, de dominee of anders de ziekentrooster het gebed van de stervende voor.
De familieleden haastten zich om zoveel mogelijk omwonenden te waarschuwen.Zij moesten er immers getuigen van zijn dat er iemand doodging en zij hadden, indien de stervende niet tot de welgestelde klasse behoorde, een specifieke taak te vervullen.
Was de laatste snik gegeven dan trad de naaste bloedverwant naderbij en sloot de ogen en de mond van de overledene.
 
 
Men nam echter het zekere voor het onzekere en verliet nimmer de sterfkamer alvorens de dode een spiegel voor het gezicht te houden en vervolgens rook in de neus te blazen.Want “in een spieghel erkennen wij de aessem en wellicht dat door de stercke rook ,die door de neus treckt,syn levendight geest niet weder komt en verweckt wordt” redeneerden onze voorvaderen.
Er waren genoeg voorvallen bekend waarin de conststering van de dood te overhaast was gebleken.
Bestond er over de dood niet de minste twijfel, dan werd de overledene de trouwring van de vinger genomen.
Deze werd aan de verwanten gegeven.
De ontzielde werd bedekt met een laken, de gordijnen van het ledikant of de deuren van de bedstee werden gesloten en in de kamer werden alle spiegels en schilderijen omgekeerd.
Iedereen verliet de kamer behalve de naaste buren, de zogenaamde waeburen , ook wel raulsters of reeuwers genoemd.
Aan hen de taak het lijk afteleggen.
Zij ontkleedden het en als het een vrouw betrof kregen zij van de familie het doodshemd met de ruime plooien, zwarte boordsels en stiksels en strikken.De mannen hadden een eenvoudiger doodshemd aan.De naald waarmee het kleed genaaid was,werd onder in het doodskleed gestoken, in het vuur geworpen of gebroken in de kist geled.
Volgens het bijgeloof was de naald een willend wezen. In dit geval wilde zij een doodskleed naaien en was daardoor gevaarlijk, doodaanbrengend geworden.Een prik hiermee zou een ongeneeslijke wond veroorzaken en indien men eer een kies mee zou aanraken ,zou deze er uit vallen.
Er was ook een tijd, dat men zich liet begraven in een pij van de Minderbroeders,men dacht dat men dan omgeven was met een waas van heiligheid en zo in het hiernamaals zou aankomen.
Dit kleed had de gestorvene zelf in haar bruidsdagen van het allerfijnste linnen vervaardigd en waarschijnlijk had zij het, zoals hier en daar de gewoonte was, in de eerste huwelijks nacht gedragen.
 
uitvaartbus
 
 
Ze kregen prachtige pruiken op en werden overladen met sieraden.Na het wassen, scheren, kammen en kleden werd het lijk op stro of rolmat gelegd, een man met de armen stijf langs het lichaam, een vrouw met de handen inelkaar gevouwen. Bij de katholieken werd bij mannen en vrouwen tussen de gevouwen handen hun rozenkrans gevlochten.
Zo bleef het lijk 2 a 3 dagen liggen en dan werd het gekist.
De “waeburen” verlieten dan het vertrek en begaven zich naar een andere ruimte of naar een hoek van de sterfkamer en sloten zich bij de bloedverwanten en overige buren aan,om zich naar hartelust te goed te doen aan de weliswaar koude, maar in ieder geval overvloedige maaltijd.
De leveranciers liepen in die dagen af en aan om de bestellingen te brengen. Waren de nabestaande niet bij machte om enige kosten te maken dan waren de buren wel bereid een renteloos voorschot te geven.
Uitvoerig werden de zaken van de begrafenis geregeld, want ook al betrof het een hoogst eenvoudig persoon, er was rompslomp genoeg waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Begonnen werd met in huis zoveel mogelijk gordijnen af te nemen en daarvoor in plaats zwart aan te brengen.Aan het huis werd een graflantaarn gehangen, aan de voorgevel, zodat men wist dat daar een dode in huis was.
Sommige hadden hun eigen graflantaarn,andere leende deze van iemand.
Voor de eenvoudige mens was er geen koster, bidder(die de rouwcedels vervaardigde), aanspreker, begrafenisonderneming of doodbidder.
Het luiden van de doodsklok is voor ons gevoel het aangeven van de plechtigheid van de begravenis.
Oorspronkelijk luidden de klokken om de lucht te zuiveren. En om met lawaai de demonen te verjagen. 
Ook de klok werd door de buren geluid, de kist door hun gedragen .
Begrafenisondernemer was een apart beroep, een gilde vormden zij, dat door een deken in samenwerking met de overheid werd bestuurd.
Hun aantal was per stad of dorp wettelijk geregeld, want er was, ook bij de vrouwen , belangstelling genoeg voor dit lucratieve baantje.
 
Vroeger werden de gewone mensen overdag begraven en de rijken ’s avonds, begrafenissen in de kerken was ook alleen voor de rijken. 
 Het lijk werd een-tweemaal de kerk of kerkhof rondgedragen alvorens het in een graf werd geplaatst.
 
Die het maakt, wil het niet
Die het draagt, houdt het niet
Die het koopt , gebruikt het niet
Die het gebruikt, weet het niet.
Ra, ra, wat is dat?
Een doodkist.
 
Sommige zeggen dat pas in de 17e eeuw de doodskist in zwang kwam
Dat is niet juist, juister is dat in de 17e eeuw de burgers over ruimere financiele middelen begonnen te beschikken en dientengevolge er meer doodkisten konden worden gekocht.
In 1705 was de prijs van een grote kist F 10.-, een middelmatige kist f.5.- en een kinderkist f 2.50.Voor een kist met verhoogde deksel moest f 12 extra betaald worden.Voor kinderen was er een aparte regeling, deze werden in een schort gewikkeld en niet in een kist en zo op de kinderplaats begraven.
Vele kerken hadden een ruimte waar zij de
“arme”doden begroeven, een massagraf.
Wolfgang Amadeus Mozart werd in de 18e eeuw in een massagraf gelegd, evenals onze Rembrand van Rijn,maar dan in Amsterdam.
De joodse mensen werden zonder kist begraven.In de lijkwet van 1869 werd er op gewezen dat het gebod dat elk lijk in een kist begraven diende te worden,met geen enkel voorschrift der Israelische godsdienstwet in strijd is.
Dit gaf dan ook geen verdere moeilijkheden In 2002 hoorde ik bij een rondleiding in de Amsterdamse synagoge dat elk lid van de joodse kerk in een zelfde vurenhouten kist wordt begraven In een soort witte wikkeldoek en zomgelijk binnen 24 uur.
In Belgie is de beaarding zonder kist bij de Trappisten-monniken nog altijd in zwang.
 
 
 
 
Grafdelver was een aparte baan.
Tegenwoordig wordt het vaker met een kleine machine gegraven.
Grafstenen met een uitgesproken persoonlijk karakter zal men zelden op een moderne begraafplaats moeten zoeken.
De oude rustplaatsen hebben ze vaak nog wel .
Voor arme mensen was het soms niet mogelijk een grafsteen te plaatsen, men liet dan een houten kruis maken.
                 
 
De rouwkleding heeft een geschiedenis van eeuwen achter zich. Het dragen van rouwkleding was aan vaste regels onderworpen die zonder meer werden opgevolgd. Hoe deze regels zijn ontstaan, is moeilijk te achterhalen. Men zou ze ongeschreven wet kunnen noemen. Alles was geregeld, tot het dragen van ‘rouw’sieraden toe en dit alles was weer afhankelijk van de graad van verwantschap.
Overal ter wereld is de rouwplicht voor vrouwen zwaarder dan voor de mannen. Dit komt voort uit het feit dat de weduwe zichzelf voorheen offerde. De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. De Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren …de kleur was wit. In 1498 nam Anna van Bregtagne na de dood van haar gemaal Karel VIII van Frankrijk, zwart als rouwkleur aan en deze sombere mode vond snel navolging. Daarvoor rouwde de Franse koningin in bruin, de koning in purper en het volk in het wit.
De oudste naspeurbare vorm van uiterlijke rouw was het neerslaan van de hoedrand. Grove vilthoeden met slappe neerhangende randen die normaal werden opgeslagen en met spelden met kostbare stenen werden opgestoken.De neergeslagen rand was een teken van droefheid en rouw. Minder voorname lieden bonden de rand van de hoed op met een of meer banden van stof. Bij rouw maakte men die banden los, zodat de rand kon neerhangen en de banden er los bij hingen. Deze min of meer slordige wollen banden ging men vervangen door een soort tulen sluier, die lamfer werd genoemd en zowel door mannen als door vrouwen werden gedragen.
 
 
De lengte van de lamfer werd bepaald door de graad van verwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verliep. Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijdert, hoe korter men de lamfer droeg.
Het is nog niet zo lang geleden dat mannen als teken van rouw een zwarte rand om de hoed droegen.
De oudste vorm van rouwgewaad is een lange wijde mantel, die enige overeenkomst vertoonde met een monnikspij. De mannen droegen hierbij een hoed met een lamfer, de vrouwen een wijde kap, die huik of sloof werd genoemd. Vrouwen die zo gekleed waren, gingen ‘gesloofd’. De uitdrukking ‘wat een arme sloof’ voor een vrouw die veel verdriet heeft, is van dit gebruik afkomstig.
De mantels van de mannen hadden zeer lange, wijde mouwen. Dat veranderde ook weer in de 2e kwart van de 18e eeuw bij aanzienlijke in diepe rouw de opgeslagen mouwen met stroken van wit linnen ,pleureuzen ‘bekleed,
Veel aanzienlijke vrouwen legden nooit de rouw af. Vooral de vrouwen van het Hollandse gravenhuis zijn hierom bekend.een weduwe bleef aanvankelijk een jaar en zes weken in diepe rouw en mocht in die tijd niet hertrouwen.
 
 
In de 17e eeuw ontstonden de rouwverhuurondernemingen, waar men
alle benodigdheden kon huren,wat gewoonlijk geschiedde op kosten van het sterfhuis. Bij de begrafenis van een burgemeester werden ook de weeskinderen in rouw van bruin en zwart of grijs laken gekleed.
 
De huiken en sloven werden langzamerhand verdrongen door een andere rouwdracht, namelijk een grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel onherkenbaar kon verhullen. Deze doeken hadden   naargelang de streek waar ze gebruikt werden, verschillende namen. Men noemde ze o.a. regenkleed, regensprei, dwaal, dweel of falie.
De naam regenkleed niets met regen te maken, maar betekend hier ‘bedekken’ en hangt samen met het woord roef. De roef van een schip bedekt de opening in het dak van de kajuit.
Dit regenkleed was een grote rechthoekige zwarte doek, die over het hoofd afhing en wel zodanig, dat bijna de gehele figuur erdoor omhuld werd.
 
Vaak zette men direct na het sterven een raam of deur open, zodat de ziel kon vertrekken. Daarna werd alles hermetisch gesloten om terugkeer te beletten.Bij huizen met raamluiken werd vaak 1 luik uit de hengsels genomen.
De lijkdeuren in boerderijen lagen meestal in de noordzijde van het pand; men meenden vroeger dat het dodenrijk in het noorden lag.
Wanneer men aan een geest of ziel denkt, denkt men aan iets zweverigs, iets dat overal kan zijn en zich snel en geruisloos voortbeweegt. Op enkele voorstellingen ziet men dan ook dat de ziel het lichaam verlaat in de vorm van een duif.
De rol van kaarslicht in de dodencultuur is zeer groot.
Het ‘levende’licht moest de ziel beschermen tegen de duivel en de machten van de duisternis.
In enkele plaatsen kent men nog het belucht en dubbelbelucht, dat wil zeggen dat er zoveel kaarsen in de kerk branden als het aantal jaren dat de overledene oud is, of, bij dubbelbelucht ,het dubbele aantal.
 
Het bekend maken van een sterfgeval.
“Het aanzeggen” van de gewone man.
Het aanzeggen geschiedde op het platteland door de buren.
Zij kwamen bijeen in het sterfhuis om briefjes te trekken. Op deze briefjes stonden namen van diegene die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Wie geluk had een briefje te trekken met namen van personen die dichtbij woonden, was snel klaar. Anderen waren soms een hele dag (vaak lopend) onderweg. Iedereen werd persoonlijk aangezegd, een brief was niet eerbiedig genoeg tegenover de dode.
Een aanzegger was een man van gewicht. Gekleed in het zwart zag hij er deftig uit. Hij vervoegde zich niet aan de achterdeur, doch aan de voordeur.
Het aanzeggen is een oud gebruik.
De aanzegger is een bode des doods en als zodanig drager van de geheimzinnige doodsmacht.
Hij mocht niet zonder meer binnentreden, want dit zou een ramp veroorzaakt hebben.
Ook al wist men precies wie er in de kleine gemeenschap overleden was, men hoorde met eerbied de bode aan, want nu wist met het pas officieel. Was de boodschap gedaan, dan was het gevaar afgewend en kon de aanzegger binnentreden, om te worden getrakteerd op koffie, maar vaker nog op een borrel, zodat menige aanzegger niet zo nuchter thuis kwam. 
  
Aansprekerskleding
De kleding leek erg op ons huidige jacquet. Een overjas met open revers. De steek werd overdwars gedragen, iets wat in latere tijden (na 1750) werd veranderd tot een recht gedragen steek. Alleen de koetsiers bleven een dwarssteek dragen. De tulen touwsluier, lamfer genaamd, aan de steek heeft zich tot aan onze tijd kunnen handhaven. In 1958 droeg men in Nederland nog wel een hoge hoed met afhangende sluier.
 De aansprekersbrief (ceel genaamd)is ook nog niet zo lang verleden tijd.
In 1966 liep men nog met een briefje in de hand, waarop de namen en adressen van de genodigden die ‘aangezegd’moesten worden.
Het was niet ongewoon om en begrafenisuitnodiging op rijm te stellen. Ook de scheld -of bijnaam van de gestorvene werd op het briefje vermeld. Deze uitnodiging ter begrafenis werden door de “bidders ter begrafenisse” aan huis afgegeven. In deftige gezinnen kwamen op de eerste avond na een sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om de ‘leesceelen’of ’opleesrollen’gereed te maken, de ellenlange stroken papier waarop ieder de namen aantekende van diegene die genodigd moesten worden.
 
 
 
Tot de jaren 60 was het in Nederland in gebruik om het aanzeggen door een aanspreker te laten doen.
In Egmond herinner ik me nog dat het dhr. Sanders was ,met zijn prachtige steek kwam hij in de slagerij om te vertellen wie er overleden was.
In Egmond werd je thuis opgebaard of ook wel in de aula van de Prins Hendrik.Mijn vader (+ 1964) werd in het mortuarium van St.Agnes opgebaard en om het lijk goed te houden werden er ijsstaven besteld . Mijn moeder werd in het mortuarium van de Prins Hendrik Stichting opgebaard.
In ongeveer 1950 werd er een vereniging opgericht voor de uitvaart verzorging.
 
Sedert de 60 er jaren maakt men gebruik van rouwbrieven, die per post verstuurd worden.    
  
De dragers
 
Het dragen van een overledene was in vroegere tijden een voorrecht, een eer, welke te beurt viel aan de zonen en/of schoonzonen. Men was de mening toegedaan dat de dode slechts door zijn eigen bloedverwanten geeerd wilde worden.Was het aantal familieleden niet groot genoeg, dan mochten andere verdere familieleden de doodsbaar dragen.
In de zeventiende eeuw ging men in de grote steden het tijdstip van begraven bij keur regelen.
Men begroef echter wel heimelijk bij avond, om verschillende verplichte bijdragen te ontduiken. Op dit bij avond begraven werd een boete gesteld en nu werd het s’avonds begraven deftig. Hoe later de begravenis, hoe hoger de boete en hoe deftiger de uitvaart.
De rijke mensen werden in de kerk begraven.
De uitdrukking Rijke Stinker komt daar nog vanaf. Als het in de kerk onfris rook kwam dat misschien wel van de lijken die daar onder de grond begraven waren.
 
Zoals men nu weer een kruisje achter in de kerk ophangt met de naam en geboorte /overlijdensdatum erop zo werd er vroeger rouwborden ter herinnering aan voorname geslachten opgehangen in de kerk.
 
In Egmond had je ook wel eens te doen met een lijk van een verdronken persoon .Men kreeg dan een akte van lijkvinding.
Voor de invoering van de burgerlijke stand werden lijkschouwingen opgetekend in de schouwboeken.Ook vindt men ze wel in criminele rollen vermeld.Naast de bevindingen van de Dorps/stadsdocter of chirurgijn betreffende de doodsoorzaak -verdrinking kwam nog al eens voor- vermeldde dergelijke inschrijvingen ook gegevens over de ongelukkige zelf,zoals leeftijd en adres.
 
Als iemand tijdens een zee-of een luchtreis overleed,werd de overlijdensakte in Den Haag opgemaakt.
 
 
Het begraven gebeurde met een paard en wagen of als het erg slecht was door sneeuw en ijs met de slee (Opa Piet de Waard werd van het Woud met een slee naar de kerk van Rinnegom gebracht en daar begraven )
Ook te voet werd men begraven.
Tijdens het vervoeren luiden de klokken.
 
Lijkhemden,vervaardigd van eigen gesponnen en geweven linnen waren vroeger een normaal bezit. Bij de uitzet hoorde ook een setje van lijkhemden.
Het werd door de bruid zelf gemaakt en het werd in de eerste .huwelijksnacht gedragen en daarna gewassen en in de linnenkast opgeborgen om pas weer dienst te doen bij een sterfgeval.
Het boerenlijkhemd was van linnen en vrijwel net als het gewone hemd. Op het lijkkleed werden de initialen van de voornaam geborduurd in zwarte of rode kruissteek. De familienaam werd niet vermeld. Deze is synoniem met het geslacht en zou dus mee begraven worden ,waardoor het geslacht zou uitsterven.
 Het kleed mocht niet langer zijn dan de enkels,daar de dode er anders over zou struikelen als hij of zij op de dag der Opstanding ,Christus tegemoet zou gaan.
Wanneer het naaien van het doodskleed zuiver geschiedde,dan werd het met 1 draad en 1 naald genaaid Om de draad mochten geen knopen worden gelegd, want van knopen gaat een bindende kracht uit ,die de ziel zou verhinderen het lichaam te verlaten.De naald werd onder het kleed gestoken ,in het vuur geworpen of gebroken en in de kist gelegd.
De dode afleggen,de dode werd gewassen,geknipt,gekamd en gekleed.
Later werd dat vaak door wijkzuster gedaan.
Rijk of arm, iedereen gaf een “doodsmaal”.
Het grafmaal met toebehoren was een vast gebruik , daar viel niet aan te tornen.Op de zevende dag was er weer een begrafenismaal, evenals bij het begin van de nieuwe maand en tenslotte op de laatste dag van het jaar.
Deze maaltijden heetten : Uitingen, doodbieren, groevebieren, troostbieren, en op het platteland dikwijls doodvetjes.
Na de begrafenis ging men op het platteland vlug aan tafel en dan kwamen de ham, de groevenbollen , ossenribben en veel potten bier op tafel.
Natuurlijk werd er eerst voorgebeden, dat deed de pastoor, de dominee, en als die er niet waren de timmerman die de kist had gemaakt.
 
Was er een kind gestorven en begraven, dan werd het doodmaal als een feest voor de jeugd.
Rijstebrij met suiker en kaneel stond daar op het programma.De kinderen stroomden toe.
Zij die een innige band hadden gehad met het kind , kregen nog een gedenkpenning. Deze penningen lieten ze apart slaan.
 
Later werden er prentjes uitgegeven in de katholieke kerk.
Daarop stond vaak een klein stukje over het leven van de overledene.
 
 
 
 
 
Aangekleed gaat uit.Streekleding en cultuur in Noord Holland 1750-1900 : Westfries Genootschap.
 
Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders door C.Bunnik/P v.d. Heijden /W.van Kranendonk en A.Visser.
 
 
 

 

 

 

 

 

 

Rouwstoet
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
 
 
Militaire rouwstoet in Polen
Een rouwstoet of uitvaartstoet is een stoet gevormd door rouwende mensen, die de overledene naar zijn laatste rustplaats vergezellen.
De stoet zelf wordt gevormd na de lijkdienst in de kerk of een ander gebouw waar plechtig afscheid wordt genomen. Daarna wordt het stoffelijk overschot in of op een lijkwagen geplaatst. In sommige culturen wordt het stoffelijk overschot gedragen door de rouwenden. In de stoet volgen de rouwenden de kist, in volgorde van belangrijkheid of betrokkenheid bij de overledene of diens familie. In het verleden werd een rouwstoet in het verkeer behandeld als een militaire kolonne: je mocht hem niet "doorbreken". Die regel is met ingang van 1991 afgeschaft (RVV 1990), maar veel automobilisten geven een rouwstoet toch voorrang ten teken van respect.
Op het kerkhof wordt na de teraardebestelling de stoet ontbonden.
 
 
Begrafenis
Een Japanse begrafenis
Een begrafenis is een plechtigheid, waarbij iemand die overleden is begraven wordt.
Andere woorden voor begrafenis zijn teraardebestelling, uitvaart, graflegging en inhumatie. Een alternatief voor de begrafenis is crematie. Men kan ook zijn lichaam ter beschikking stellen van de wetenschap.
Per land of geloof zijn er verschillende tradities en rituelen rond een begrafenis.
Inhoud
[verbergen]
  • 1 Tradities rond begraven en cremeren
    • 1.1 Nederland en België
    • 1.2 Oost-Azië
    • 1.3 Afrika
    • 1.4 Latijns-Amerika
    • 1.5 Islamitisch
  • 2 Belangrijke personen
  • 3 Wetgeving
  • 4 Uitvaartrituelen
  • 5 Muziek
  • 6 Zie ook
Tradities rond begraven en cremeren
Nederland en België
 
 
Begrafenis Leopold II
Binnen bepaalde culturen of religies binnen Nederland kunnen extra, of geheel andere tradities bestaan, zie bijvoorbeeld lager op deze pagina de islamitische tradities; hier volgt de gang van zaken bij het grootste deel van de Protestantse, Rooms-katholieke en niet-religieuze uitvaarten.
Voorafgaand aan een uitvaart, dus een begrafenis of een crematie, vindt er vaak in besloten kring een afscheid plaats voor familieleden en vrienden, thuis of in een rouwcentrum. Vaak gebeurt dit op een avond voordat de uitvaart plaatsvindt. Rooms-katholieken kennen hiervoor de avondwake in de kerk.
Bij een uitvaart kan er een religieuze dienst plaatsvinden zoals een kerkdienst, of een niet-religieuze samenkomst in een uitvaartcentrum of crematorium, waarin de overledene herdacht wordt.
De overledene wordt herdacht in een of meer toespraken. Ook kan er muziek ten gehore worden gebracht. Bij een kerkdienst wordt er voorgelezen uit de Bijbel, gezongen en afscheid genomen van de overledene met een preek. Tot dit punt is de plechtigheid bij een begrafenis en een crematie grotendeels gelijk.
Bij een begrafenis wordt vervolgens de doodskist vaak door een stoet mensen, of in de voorste van een rij auto’s, naar de begraafplaats vervoerd. Deze stoet heet de begrafenisstoet of rouwstoet.
Daarna volgt de teraardebestelling. De kist kan in het graf dalen door middel van touwen of kettingen. Ook tijdens deze teraardebestelling wordt vaak nog een korte toespraak gehouden, en vervolgens krijgen mensen de gelegenheid op hun eigen manier afscheid te nemen van de overledene. Dit kan bijvoorbeeld zijn in de vorm van het werpen van wat aarde op het graf, het geven van een laatste groet of het zeggen van een gebed. Men verlaat dan het graf. Vaak is er vervolgens nog de gelegenheid om in een zaaltje op of vlakbij de begraafplaats de nabestaanden te condoleren, of ook zelf gecondoleerd te worden. Daar worden dan ook koffie, thee met cake en eventueel broodjes geserveerd.
Daarna wordt het graf gesloten of bedolven door de grafdelver, vaak een medewerker van de gemeente waartoe de begraafplaats behoort. Gemiddeld 100 dagen na de begrafenis kan er voor gekozen worden een grafmonument te plaatsen.
Bij een crematie is na bovengenoemde, al of niet religieuze, uitvaartdienst of samenkomst de plechtigheid afgelopen: de nabestaanden en belangstellenden worden door het crematoriumpersoneel bedankt voor hun aanwezigheid, en verzocht, na een laatste groet aan de overledene, zich te begeven naar een naastgelegen ruimte, waar men elkaar kan condoleren, onder het genot van koffie, thee, en dergelijke. Buiten aanwezigheid van nabestaanden wordt later die dag het lijk dan werkelijk verbrand. Naderhand kunnen nabestaanden de as bewaren in een urn, maar asverstrooiing (zie onder crematie) is ook mogelijk.
\
[Oost-Azië
 
Begrafenis op Bali
In de meeste Oost-Aziatische en Zuidoost-Aziatische culturen is het dragen van wit een symbool voor de dood. Door westerse invloeden is zwart echter ook aanvaard als kleur voor rouwenden. De aanwezigen mogen niet kijken terwijl de kist neergelaten wordt, ze moeten hun hoofd buigen, of zelfs afwenden.
Hoofdartikel: Chinese begrafenis
In China wordt traditioneel een witte envelop gegeven aan de nabestaanden met een kleine som geld. Ook andere culturen doen dit.
In Japan worden meestal Boeddhistische rituelen uitgevoerd. Dikwijls krijgt de overledene een nieuwe naam bestaande uit oude kanji-tekens, dit om te vermijden dat de naam in gewone gesprekken of schrift zou gebruikt worden. De meeste Japanners worden gecremeerd. In Tibet voeren boeddhisten traditioneel het ritueel via de luchtbegrafenis uit.
] Afrika
Aan de Goudkust van Afrika bestond de gewoonte de doden in de vloer van woonhuizen te begraven, als onderdeel van een animistische ceremonie.
Vrouwen mogen luidop rouwen, en soms mogen ze hun gevoelens tonen tot hysterie toe. Soms zijn er trommelaars en fluitspelers bij. Een begrafenisplechtigheid kan soms een week lang duren. Na een periode van enkele maanden tot een jaar wordt de rouw officieel afgelegd en wordt er een feest gehouden.
Latijns-Amerika
Latijns-Amerika heeft een grote combinatie van verschillende overzeese tradities. Zo is het in verschillende delen van de Latijnse landen dat men de doden niet in de grond begraven maar in mondgraven. Dit zijn vaak op elkaar gestapelde graven. Er zijn ook delen waar de mensen verbrand worden. Niet in de vorm van de bekende crematie, maar gewoon het lichaam met veel hout erover. Dit om de beperkte grond zo goed mogelijk te kunnen benutten. Jaarlijks wordt er vooral rond Peru en Midden-Amerika de dag der doden gehouden. Dit houdt vaak in om naar de graven van de doden te gaan of zelfs de lichamen op te halen en de dag door te brengen om aan het einde van de dag de dode terug op zijn rustplaats te brengen.
Islamitisch
Het begraven volgens de islamitische overlevering gebeurt zo snel mogelijk na het overlijden. In landen waar de wetgever dit toestaat kan een overledene nog dezelfde dag begraven worden. Ook wordt een moslim, indien de wetgeving het toelaat, zonder kist begraven. In Nederland is begraven zonder kist wettelijk toegestaan. Overdreven rouwbeklag is niet toegestaan, hoewel dit soms gebeurt. Crematie is uitgesloten in verband met het geloof in de wederopstanding op de Dag des oordeels.
Al-djanaazah
Na het overlijden worden allereerst de ogen gesloten en de overledene wordt afgedekt met een schoon laken. Vervolgens wordt het lijk ritueel gewassen door familieleden of andere moslims van hetzelfde geslacht, waarbij de private delen worden afgedekt. Vervolgens wordt de overledene gewikkeld in witte doeken (de kafan). Zij die deze wassing verrichten bewaren hierover discretie.
Voorafgaande aan de begrafenis wordt voor de overledene een gebed (Al-djanaazah) gedaan. Zij die aanwezig zijn bij dit gebed gaan rond de lijkbaar staan. Een afwijking met het gebed zoals het vijfdagelijks verricht wordt, is dat er niet gebogen (ruku) wordt en ook de nederwerping (sudjud) vindt niet plaats. Ook volgen de aanwezigen niet de voorgeschreven qibla; de overledene ligt wel in de qibla-richting. Het meeste wordt in stilte gebeden. Het gebed vindt niet plaats in de moskee (In niet- Islamitische landen verricht men het Salaat el Djanaazah wel in de moskee).
Bij de teraardebestelling zijn alleen mannen aanwezig. Een moslim wordt liggend op de rechterzijde begraven, met het hoofd richting de qibla. Indien de overledene niet de shahadah meer heeft kunnen zeggen op het moment van overlijden, dan wordt dit alsnog gedaan. Vaak wordt na het sluiten van het graf gestopt na 40 stappen en wordt Soera De Opening gereciteerd als bijzondere bijstand voor de overledene die volgens de overleveringen binnen de islam op dat moment verhoord wordt door de engelen Nakir en Munkar.
Het is de bedoeling dat een graf niet geruimd wordt en de overledene in het graf blijft in verband met het geloof in de wederopstanding op de Dag des oordeels.
[Belangrijke personen
Zie Staatsbegrafenis voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Koningen en koninginnen en andere belangrijke personen zoals een staatshoofd of minister-president krijgen vaak een speciale begrafenis of bijzetting. Vaak, maar niet altijd, is dit een staatsbegrafenis.
Normaliter worden bij de begrafenis of bijzetting verschillende tradities en rituelen in ere gehouden. Vaak wordt er nationale rouw afgekondigd, worden vlaggen halfstok gehangen, kan het volk afscheid nemen door langs de baar te lopen en kan het condoleanceregister getekend worden op gemeentehuizen en ambassades van het betreffende land.
Wetgeving
De uitvaart moet in Nederland minimaal 36 uur en maximaal zes werkdagen na het overlijden plaatsvinden. De dag van overlijden telt hierbij niet mee. Deze tijd kan worden verkort dan wel verlengd door de officier van justitie, bijvoorbeeld in het geval dat familie uit het buitenland moet komen.
De wet geeft de ruimte dat een persoon op eigen terrein kan worden begraven, de burgerlijke gemeente kan alleen toestemming verlenen wanneer aan speciale voorwaarden is voldaan. Niet alle gemeenten in Nederland bieden deze mogelijkheid.
De uitvaart wordt altijd verzorgd in opdracht van iemand. Vaak is dit een van de nabestaanden en soms is het de overledene zelf die dit bij testament of scenarium heeft vastgelegd. Maar het kan ook gebeuren dat de overledene geen bekende nabestaanden had en dat hij/zij zelf niets geregeld heeft. In dat geval bestaat er de Wet op de lijkbezorging, de Sociale Dienst van de gemeente in de woonplaats van overledene of, als de woonplaats onbekend is, die in de plaats van overlijden dan optreedt als opdrachtgever.
Uitvaartrituelen
 
Uitvaartrituelen kunnen religieus van aard zijn of seculier. In de meeste gevestigde religies bestaan standaarduitvaartrituelen. Een andere mogelijkheid is het samenstellen van een persoonlijk uitvaartritueel. Hierbij kan een ritueelbegeleider helpen. In de katholieke kerk is het gebruikelijk dat de uitvaartmis - voorafgaande aan de begrafenis of crematie - wordt voorafgegaan door een wake, de avond tevoren.
Muziek
  • Op de lijst van veelgevraagde uitvaartmuziek is een overzicht te vinden van (populaire) muziek zoals die met name in Nederland bij uitvaarten veel te horen
 
Bidprentje
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
 
 
Voor- en achterzijde van een Nederlands bidprentje uit 1893.
Een bidprentje (gedachtenisprentje) is een klein prentje dat binnen de Katholieke Kerk als herinnering aan bepaalde gebeurtenissen zoals doopsel, eerste communie, vormsel, huwelijk, priesterschap en in het bijzonder bij een overlijden wordt uitgegeven. Behalve de religieuze afbeelding, staat op voor- of achterzijde meestal ook een gebed. Indien het wordt uitgegeven naar aanleiding van een overlijden worden de naam, titel, geboorte- en sterfdag van de overledene vermeld. Het gebruik van een bidprentje komt bijna uitsluitend voor onder katholieken.
De bidprentjes worden tijdens de uitvaart aan de aanwezigen uitgedeeld. Daar waar vroeger op dit soort bidprentjes meestal een heilige werd afgebeeld in zwart-wit maar vaak ook in kleur, wordt nu ook vaak een kruis of de overledene zelf afgebeeld.
Een veelvoorkomend formaat voor bidprentjes is het A7-formaat, een formaat dat hiervoor zeer lang de standaard was. De oudste bidprentjes hebben enkel een voor- en achterzijde. Later werd een dubbelgevouwen A6-formaat gebruikt, waarbij de afbeelding aan de buitenkant stond en de gebedstekst binnenin. Recent wordt echter meer en meer gebruik gemaakt van een vierkant formaat (bv. 10cm x 10cm).
Deze bidprentjes worden vaak in een missaal gestoken, zodat men tijdens een Mis al eens kan bladeren en zo deze personen in herinnering roepen. Zo komt het vaak dat deze bidprentjes langer bewaard werden dan doodsbrieven. Ze zijn dan ook een goede vertrekbasis bij het opstellen van een stamboom, maar de informatie moet met enige omzichtigheid gebruikt worden omdat er al eens fouten of onnauwkeurigheden (bv. in de naam van een persoon) voorkomen.
Paradisum
In paradisum deducant te angeli;
in tuo adventu suscipiant te martyres
et perducant te in civitatem sanctam Jerusalem.
Chorus angelorum te suscipiat
et cum Lazaro, quondam paupere,
aeternam habeas requiem.
Ten Paradijze
Mogen de engelen u geleiden naar het paradijs;
dat de martelaren bij uw komst u zullen ontvangen
en u binnenleiden in de heilige stad Jeruzalem.
Moge het koor van de engelen u ontvangen
en moge u met Lazarus, eens een arme,
de eeuwige rust ontvangen.
Ten Paradijze
Ten paradijze geleiden u de engelen;
mogen de martelaren u bij uw komst begroeten
en u leiden tot in de hemelse stad Jeruzalem.
Moge het koor der engelen u ontvangen
en moge u met Lazarus, de arme van weleer,
voor altijd rusten in vrede.
 

 

 

 

 

 

 

 

RSS replies
RSS replies
Trackback
Trackback

Schrijf een reply

Je kunt deze tags gebruiken : <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Navigation

  • De kruisweg
  • De Millersisters
  • De Montfortanen
  • Egmond aan Zee
  • G v.d Bosch
  • Geboorte
  • Henk Stoop .
  • Kapel 1
  • Kapel 2
  • O.K.Kerk
  • P.M. de Waard s.m.m.
  • Rouwen
  • Vrouwe van A’dam
  • Zr.Humilia
  • Zr.Juliaantjes

Zoeken

rss RSS replies design by jide