Geboorte
Geboorte in Noord-Holland..
Herma Out- de Waard
Bron:
“Beschuit met muisjes”, door Ineke Strouken
“Rond het kraambed van toen”, door Maria van Lamoen
“Aangekleed gaat uit “, door Westfries Genootschap uitg: Waanders, Zwolle
Eigen archief Herma Out.
“Ach lieve tijd .Tien eeuwen Alkmaar en Alkmaarders”.
Uitgeverij Waanders –gemeentearchief Alkmaar
De vroedvrouw rond 1700.
De vroedvrouw werd voor een jaar benoemd, rond 1700 was haar jaarsalaris f 20.-
De vroedvrouw moest altijd bereikbaar zijn .
De buurvrouw ging er bij het voelen van de eerste wee door de zwangere vrouw al opuit om de vroedvrouw te waarschuwen. Omdat veel mensen niet leerden lezen of schrijven, had de vroedvrouw een uithangbord aan haar deurgevel hangen of soms was er een ooievaar op haar huisdeur geschilderd.
Dat uithangbord was tevens een bewijs dat de vroedvrouw een vergunning had om deze dienst te bewijzen.
Op het bord stond:
De naam van de vroedvrouw,
De wijk waarin zij haar ambt mocht vervullen en
Een afbeelding, dus de ooievaar of b.v. een clyseerspuit.
De vroedvrouw moest kunnen lezen en schrijven. Dat was een speciale eis en soms moeilijk omdat de kinderen pas in de 5e en 6e klas leerden lezen. De vroedvrouw moest een verslag kunnen schrijven van de bevalling .Heel veel meisjes werden van school gehaald als ze 10-11 jaar waren omdat ze dan in een “ dienst ” konden bij iemand of gewoon thuis moesten werken. De vroedmeester doet zijn intrede en omdat hij meestal een chirurgijn is die zich (mede) gespecialiserd heeft in het vroedwerk, krijgt deze ook weer een hogere beloning dan de vroedvrouw.
Waar moest de vroedvrouw aan voldoen?.
Ze moest b.v.
Toestemming hebben van de burgemeester,
Een kraamklopper aan haar deur hebben,
Informeren naar de vader( bij ongehuwde zwangere vrouwen) en een Verplicht examen doen nadat ze 2 jaar door een wettig gepromoveerde vroedvrouw was opgeleid ,
Wettig gehuwd of weduwe zijn ,
Gezond en sterken vooral zich,
Van sterke drank onthouden.
Altijd bereikbaar,dat was in een tijd zonder mobieltje niet zo maar wat.
In het algemeen werd soms zelfs aan de vroedvrouwen verboden om
de a.s. niet gehuwde barende moeder te helpen zonder dat zij verklaard had wie de vader was.
Dat was belangrijk omdat men dan die vader kon aanspreken op geld voor de verzorging van het kindje. Als het bekend was dan werd onmiddelijk na de bevalling het kind ingebakerd en ging men met een aantal getuigen naar het huis van de vermeende vader .Het maakte niet uit of het dag of nacht was. Men bleef net zo lang kloppen tot er werd opengedaan. Het kind werd de vader voorgehouden en er werd gevraagd of hij het kind al of niet erkende. Als er werd ontkend dat hij de vader was van dit kind dan werden
er getuigenverklaringen opgemaakt en kon de moeder een proces beginnen tegen de man om hem te dwingen tot een huwelijk of tot het betalen van allimentatie. De man kon de wettigheid van een kind ontkennen op grond van impotentie of afwezigheid.
Als het mis ging tijdens de bevalling dan werd er hulp ingeroepen van barbiers, vroedmeesters en chirurgijnen.
In 1827 werden er opleidingen gestart in de pas opgerichte geneeskundige school tot apotheker, vroedvrouw , vroedmeester, die 2-4 jaar duurden.
Heel belangrijk was dat nu ook het platteland werd voorzien van redelijk opgeleide mensen. In heel Holland en Zeeland waren maar 6 van deze geneeskundige scholen. Waarom kwam er in Alkmaar een school?
Omdat het enige ziekenhuis in het Noorderkwartier hier was gevestigd en omdat er voor de kwekelingen voor goede huisvesting en goedkoop onderhoud gezorgd kon worden. Bovendien had de stad bij het gasthuis al een hortus ,een botanische tuin, aan laten leggen, waar een apotheker les gaf in kruidkunde. In Alkmaar was een bekende vroedvrouw Barber de Waard.
Voor een opleiding voor hooggeleerde artsen moest men echter naar Amsterdam.
3x Per week was er les gedurende 3 uur. Ze gingen 3 jaar naar de school en legden dan een soort examen af. Meisjes moesten 20 jaar zijn om de school te bezoeken,de jongens mochten al vanaf 16 jaar les volgen. Ze moesten minstens 12 verlossingen hebben meegemaakt voor ze examen mochten doen. Aanstaande heel-en vroedmeesters moesten 2 jaar theoretisch en 2 jaar praktisch onderwezen zijn alvorens ze examen mochten afleggen.
Hansje in de kelder
Wanneer rondom de zevende maand alles in gereedheid was gebracht voor moeder en kind, dan was het tijd dat ook buren, vrienden , familieleden , vroedvrouw en baker, peter en meter op de hoogte werden gesteld van de toekomstige blijde gebeurtenis.
Er werd een gastmaal aangericht en iedereen werd uitgenodigd. Op een bepaald moment kwam dan de aanstaande vader binnen en plaatste midden op de tafel een beker, die hij vol schonk met wijn, de z.g. “Hansje in de kelder’.Dan wist iedereen hoe laat het was.
Een speciale zeventiende-eeuwse zilveren kelk was het ” Hansje in de kelder”.
Het was een speciaal glas dat rond ging en iedereen nam om de beurt een teug op het welzijn van een persoon of op een bijzonder gebeuren.
Tijdens de feestelijke bijeenkomst werd er wijn in de beker geschonken, in het midden opende zich een bol waaruit een poppetje omhoog kwam, waarna iedereen verheugd jubelde: “Hansje in de kelder”.
Na het drinken en eten ging iedereen de luiermand en luierkast bekijken.
Bakerkussen-Kraamspeldenkussen
Het was gemaakt van zware gele of witte satijn, opgevuld met zaagsel.
De randen waren afgezet met kant, fluweel, goudgalon.
Met lange bakerspelden werd een spreuk op de kussen geprikt. Als de baby was geboren dan werd de geboortedatum en de naam van de kleine op het kussen gespeld.
De kraamheer.
In de 18e eeuw was de kraamheer de verwende figuur gedurende de kraamtijd.
Als er een kraamkloppertje aan de deur hing kreeg de kraamheer verschillende privileges van het stadsbestuur.
De Kraamklopper:
Vroeger dacht men dat een kraamvrouw onrein was. De oorsprong hiervan is gelegen in het geloof dat tijdens de baring de boze geesten een bijzondere macht over moeder en kind had.
Vandaar dat men tijdens de baring de deur grendelde of ze dichtbond met een schortband.
Toen het geloof in boze geesten afnam, gingen de mensen de voordeur versieren met een strik. Om de kraamvrouw tegen harde geluiden van de deurklopper te beschermen, omwoelde men de ring of klepel met wit linnen. Toen echter de deurklopper in onbruik raakte en vervangen werd door schel of deurbel, bloeide het gebruik van het schorteband op tot zo’n weelde aan kant en zijde,dat ieder er zich de ogen op uit keek. Men gaf het de naam “Kraamkloppertje of stiltje ” naar de oorspronkelijke functie:Het manen tot rust en stilte voor kraamvrouw en kind. Maar ook het kraamkloppertje verloor geleidelijk aan zijn betekenis als signaal ‘hier is een kind geboren’.Men plaatste voor het raam een briefje waarop de toestand van moeder en kind werd vermeld. Men maakte ook gebruik van een aanspreker, later plaatste men een bericht in de krant. Soms stuurde men een briefkaart met de mededeling dat het kindje geboren was. Op sommige berichten werd ook de doop van het kind vermeld of aangekondigd. Er werd dan ook een peetvader en petemoei gegeven,naar wie het kind meestal werd vernoemd .De peter was in de christelijke tijd degene, die het kind tijdens de doop vast hield. Nog verder terug in de tijd was de peter degene die beloofde dat in geval van overlijden der ouders zich de opvoeding van het kind aan te trekken. Het was in het zuiden van het land niet de gewoonte, dat de vader zelf bij de doopplechtigheid aanwezig was.
Hij wachtte in een vlak bij de kerk gelegen herberg het einde van de gebeurtenis af .Met de vroedvrouw, die de dopeling droeg, rechts van de meter en eventueel links van de peter, werd daarna de terugtocht naar huis aanvaard. Daarbij werd er in diverse cafe’s en herbergen het feest gevierd:”Het “ scheel “ moest er af gedronken worden.”
De pasgeborene vond hierbij menigmaal een plaats op de biljarttafel. Thuisgekomen trakteerde de meter de kinderen op doosjes met builtjes doopsuiker, in de volksmond ‘kinderkeskak’ genoemd.Een zilveren boontje ertussen was gelukbrengend. Doosjes werden gebruikt bij rijke mensen, builtjes bij arme mensen. Daarna besloot men het feest met een uitgebreide koffietafel.
Geruime tijd beschouwde men in Nederland het kraamhuis als onschendbaar(evenals de kerk en het kerkhof).
Het gebeurde zelfs dat vluchtelingen die vanwege een of andere misdaad werden vervolgd, niet in een kraamhuis mochten worden gearresteerd. Willem van Oranje schreef aan hertog Jan van Kleef op 1 mei 1468 ,dat de negen personen die in het huis waar een kraamvrouw lag; gevangen genomen waren, onmiddelijk in vrijheid moesten worden gesteld. Later golden de voorrrechten alleen de kraamheer en diens gezin.
Geen schuldeiser mocht komen manen, geen stadsbode enige dagvaarding doen. De kraamheer was vrijgesteld van nachtdienst.
In Noord-Holland (noord ) was het de gewoonte dat de kraamheer zich kleedde in een kamerjas of kraamherenjapon en dat hij op zijn hoofd een slaapmuts droeg. Slaapmutsen als deze ( een rand van de muts was golvend uitgesneden en er zat een kwast aan) werden niet door vrouwen gedragen. De kraamheer mocht de kamer betreden als de kraamvrouw was verzorgd, en het kind was gereinigd en ingebakerd .De vroedvrouw bood het kind aan en sprak de weinig opwekkende woorden: ”Vader, zie daar Uw kind. Onze Lieve Heer geeft jou er veel geluk mee of haalt het vroeg in Sijn Rijk”.
Door het kind aan te nemen bevestigde de vader zijn vaderschap .
Het kind werd in de wieg gelegd en er kwamen buurvrouwen en vriendinnen om geluk te wensen.
De warme kandeel stond klaar. De kraamheer roerde met een versierde stok in de kandeel en schonk deze in mooie porceleinen kopjes zonder oor. Onderhand deelde men kaneelbeschuitjes rond en zeiden de vrouwen een rijmpje op. Daarna werden de dames door de echtelieden opgehaald Daarna bevestigde de kraamheer het wiegetouw aan de stoel Hij kon dan vanaf zijn plaats zijn spruit bewonderen en zonodig wiegen.
Mensen rondom het kraambed.
Meestal zijn het vrouwen in de 17-18 en begin 19e eeuw.
Burenhulp was een bijna verplicht nummer. Vrouwen onder elkaar hadden altijd wel iets te vertellen. Bakerpraatjes zijn daar ontstaan.
Bij de gegoede burgerij ontstond vanaf de 17e eeuw kraamkamers .
Wat stond daar toen in ?.
Behalve de luiermand en luierkast het kraambed, de wieg, de bakermat, de luierdroger, het kraamschut, de vuurmand enz. De kraamschut was een kamerscherm die men voor de deur plaatste om moeder en kind tegen tocht te beschermen.
De vuurmand was een diepe mand , onderin met blik bekleed , waarop een testje met hete kooltjes werd geplaatst. De vuurmand diende om babywasgoed op te drogen.
Bovenaan was de vuurmand voorzien van rieten vlechtwerk
In de 17e eeuw werd een zuigeling door de baker gevoed en verschoond in de bakermand..De baker zat met gestrekte benen in de mand, gesteund door de hoge gevlochten rug. Op haar schoot lag het kind op een groot kussen en werd gekleed en met een lange zwachtel ingebakerd.
De mand was aan een kant lager om alle warmte van het vuur op te vangen. Het open vuur was in die tijd de enige warmtebron in huis.
Een pasgeborene werd met zorg omringd. Een geboorte was een riskante gebeurtenis;als moeder en kind overleefden, was dit reden tot grote blijdschap en feest.
Tweede kwart 19e eeuw.
De baker verschoonde het kind op een aankleedkussen op tafel.
Het werd ingebakerd met lange wollen zwachtels en linnen en wollen ( vochtwerende ) omslagluiers .
Het kind werd nooit geheel ontbloot , het onderlijfje werd gedompeld in het badje met het hemdje nog aan.
Tocht en kou was overal in huis aanwezig en men was zeer bezorgd ,kindersterfte was nog steeds zeer hoog.
Een luiermand bevatte toen een gedeelte machinaal en gedeelte handgemaakte kleertjes en luiers. Een slabbetje werd toen “bavetje”genoemd.
Geboortegeschenken van buren of familie werden gegeven in een schone doek. Dat waren b.v. een broeder, een krentenbrood, een tulband of een schaaltje eieren om aan te sterken. De meer gegoeden gaven een taart. De baker droeg een hul, een schort van zwarte wol en een linnen schort. De baker was meestal een wat ouder vrouw uit de buurt die de nodige ervaring had in het verzorgen van kraamvrouwen.
.



